Groen schild tegen dure olie is nog in de maak
De oorlog in het Midden-Oosten heeft de mondiale olieprijs opnieuw omhoog doen schieten. In theorie zou de energietransitie ons hier steeds beter tegen moeten beschermen. De praktijk maakt echter pijnlijk duidelijk hoezeer de wereldeconomie nog altijd leunt op olie en gas. Ondanks jaren van verduurzaming blijft het absolute gebruik van fossiele brandstoffen stijgen en bereikte de mondiale CO₂‑uitstoot in 2025 opnieuw een record. De vraag is niet alleen op welke punten het groene schild nog te dun is, maar vooral wat landen kunnen doen om hun energierekening beheersbaar te houden zolang fossiel domineert.
Van slagveld tot supermarkt
In Nederland voelen we de hogere olieprijs meteen aan de pomp. Via transport, logistiek en internationale productieketens sijpelt dit prijseffect met een vertraging van enkele maanden door naar het winkelmandje. Fossiele brandstoffen vormen immers nog altijd het fundament van de mondiale economie. De inflatie in Nederland zal hierdoor tijdelijk stijgen. Hoe sterk precies hangt af van de duur en intensiteit van de oorlog. Bij snelle de-escalatie blijft de impact beperkt, maar bij aanhoudende spanningen kan de inflatie in Nederland zomaar richting de vier procent oplopen.
Voor veel opkomende economieën komt deze schok nog harder aan. Ze zijn energie-intensiever en hebben lagere inkomens, waardoor de hogere energiekosten lastiger te dragen zijn. Wereldwijd gaat het om ruim zestig landen die jaarlijks netto (het saldo van invoer en uitvoer) meer dan vier procent van hun bbp kwijt zijn aan de invoer van fossiele brandstoffen.

Voor Nederland is dat minder dan één procent. Hogere olie- en gasprijzen vergroten in deze landen de tekorten op de lopende rekening (zie grafiek). Om sociale onrust te voorkomen, grijpen overheden daar ook vaker naar subsidies en prijsplafonds, zeker waar inflatieverwachtingen minder goed verankerd zijn. Dat zet de overheidsfinanciën onder druk en vergoot de economische kwetsbaarheid.

Wachten is geen strategie
Wie hoopt dat olieprijzen vanzelf weer dalen, zou wel eens lang kunnen wachten. Het Internationaal Energie Agentschap (IEA) schetst in hun World Energy Outlook uit oktober 2025 scenario’s waarin olie structureel duurder blijft dan we vóór de oorlog gewend waren. Bij ongewijzigd beleid, en zelfs bij uitvoering van aangekondigde klimaatplannen, stijgt de olieprijs van het vooroorlogse niveau van zo’n 65 dollar per vat naar 80 à 90 dollar in 2035 (zie grafiek). Deze paden passen bij afzwakkende klimaatambities wereldwijd. Met name de terugtrekking van de Verenigde Staten uit het Klimaatakkoord van Parijs en de neerwaartse bijstelling van de verwachte groei van hernieuwbare energiecapaciteit in dat land vertragen de energietransitie. Daardoor piekt de vraag naar olie en gas later en blijft die langer hoog. Het pad naar netto-nul uitstoot in 2050, waarbij fossiele brandstofprijzen juist snel zouden dalen, raakt verder uit zicht.
Efficiëntie als eerste verdedigingslinie
Dat betekent niet dat landen machteloos zijn. Wie voorbij de kortetermijnvolatiliteit van olieprijzen kijkt, ziet dat de energietransitie wel degelijk effect sorteert, vooral via een daling van de vraag naar fossiele brandstoffen. Tussen 2009 en 2024 kwam die daling vooral op het conto van energie-efficiëntie (zie grafiek), dankzij zuinigere technologie, energiebesparing en een verschuiving naar minder energie‑intensieve sectoren zoals diensten. Energie-efficiëntie is breed toepasbaar – van de transport en industrie tot huishoudens – en daarmee een van de snelst inzetbare beleidsinstrumenten om de pijn van hogere olie- en gasprijzen te verzachten.


Het is niet alleen een succesverhaal van ontwikkelde economieën als Nederland. Ook opkomende economieën boekten aantoonbare efficiëntiewinsten. In sommige gevallen gebeurde dat echter overwegend noodgedwongen, zoals in Pakistan, waar energietekorten bedrijven en huishoudens al langer tot efficiënter gebruik dwongen.
Niet voor niets hamerde het IEA bij het vrijgeven van strategische olievoorraden op het belang van energiezuinig gedrag. Thuiswerken, zuinig rijden, minder vliegen en de thermostaat lager zetten bewezen hun waarde al in 2022, toen het Nederlandse gasverbruik na de Russische invasie van Oekraïne met ongeveer 25 procent daalde. Op de korte termijn zijn dit de knoppen waaraan direct kan worden gedraaid.
Hernieuwbaar betaalt zich later uit
Tegelijkertijd wint hernieuwbare energie onmiskenbaar terrein. Zonne-energie is goedkoper dan ooit en de opwekking neemt gestaag toe. Het ontwikkelen van groene energie van eigen bodem is de ultieme bescherming tegen olieprijsvolatiliteit. Voorlopig is de hernieuwbare capaciteit echter onvoldoende om de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen te doorbreken.
Dat komt vooral doordat hernieuwbare energie zich concentreert in de elektriciteitssector, terwijl elektriciteit wereldwijd slechts ongeveer een vijfde van het totale energieverbruik uitmaakt. Transport, industrie en verwarming draaien nog grotendeels op olie en gas. Zelfs regionale koplopers als Marokko, met grootschalige zonneparken, vormen daarop geen uitzondering. Wereldwijd verloopt verdere elektrificatie bovendien traag door netcongestie, technologische beperkingen in de zware industrie en gebrekkige toegang tot elektriciteit in delen van de wereld.
Ook binnen de elektriciteitssector zelf is het potentieel van hernieuwbaar nog lang niet benut (zie grafiek). In zo’n zeventig energie‑importerende opkomende economieën ligt het mediane aandeel groene stroom nog onder de 30 procent. De ruimte voor verdere groei is dus groot, maar benutting vraagt om gerichte investeringen. Toegang tot betaalbare blijft daarbij een cruciaal knelpunt.
Meer dan een klimaatvraagstuk
Vooruitkijkend lijkt de ruimte voor efficiëntiewinsten kleiner dan in het afgelopen decennium. De groei van datacenters en de toenemende vraag naar airconditioning verhogen het energieverbruik juist. Per saldo wijst alles erop dat de invoerrekening van fossiele brandstoffen voor veel economieën richting 2035 verder oploopt als percentage van het bbp.
De ruimte om zulke olieprijsschokken op te vangen verschilt echter sterk per land. Economieën als Taiwan, Thailand en Zuid-Korea beschikken over een sterke exportbasis en overschotten op de lopende rekening. Daardoor leidt een hogere invoerrekening voor energie niet direct tot externe financieringstekorten. Voor veel andere fossiele-brandstofafhankelijke economieën zijn de buffers echter beperkt. Vooral landen als Pakistan, de Malediven, de Democratische Republiek Congo, Rwanda en Tunesië zijn kwetsbaar. Zij combineren tekorten op de lopende rekening met lage valutareserves, zwakke overheidsfinanciën, en beperkte toegang tot de internationale kapitaalmarkt. Voor Nederlandse exporteurs betekent dit hogere betalingsrisico’s en meer onzekerheid op bepaalde afzetmarkten.

Voor opkomende economieën is de energietransitie dan ook veel meer dan een klimaatoplossing. Het is een kwestie van macro-economische stabiliteit, energiezekerheid en geopolitieke weerbaarheid. De Oekraïnecrisis liet zien dat energie-efficiëntiewinsten deels tijdelijk zijn en dat hoge prijzen zelfs investeringen in olie en gas kunnen aanwakkeren. Willen we de oorlog in het Midden‑Oosten benutten als katalysator voor versnelling, dan zijn aanvullend klimaatbeleid en betere toegang tot financiering noodzakelijk.
Niels de Hoog- Senior Econoom